Kokmeeuw

 

Kokmeeuw  (Lerus ridibundus)

Lengte / 34-37 centimeter

Spanwijdte / 100-110 centimeter

Gewicht / 225-350 gram

Status / stabiel

Kokmeeuwen broeden net zo vaak in het binnenland als langs de kust, zowel in laagland als op hoger gelegen plekken. In de herfst volgen ze de ploeg, helderwit tegen de donkere, pas gekeerde aarde. Ze ruziën vaak en maken rommel, waarmee ze hun omgeving verlevendigen.

Foerageren

Ze vangen insecten en andere kleine ongewervelden, waaronder veel aardwormen, op gras en geploegde akkers. Ze vangen al vliegend insecten, vooral vliegende mieren, en pikken rupsen en zelfs fruit uit loofbomen. Ze vangen ook visjes en andere waterdieren, vanaf de oppervlakte in de vlucht of grijpen ze na een ondiepe duik.

Broeden

Ze nestelen in kolonies van twee tot enkele honderden paren. De nesten variëren van kuiltjes in de modder of gras tot aanzienlijke bouwsels in riet of zeggen. De 2-3 eieren komen uit na 23-26 dagen. De jongen vliegen wanneer ze ongeveer 35 dagen oud zijn.

Trek

Kokmeeuwen trekken ’s winters naar het binnenland om te foerageren en om te slapen op meren. Broedvogels uit het noorden trekken in de herfst naar het zuiden en westen. De adulte vogel vertrekken in het voorjaar plotseling en snel naar hun broedkolonies. Onvolwassen vogels blijven in hun wintergebied tot later in het voorjaar of zelfs in de zomer.

Wanneer

Gehele jaar; vooral april tot september in het noorden en westen.

Waar

Broedt in IJsland, Brittannië en Ierland, van Frankrijk oostwaarts en lokaal tot in het hoge noorden. Ontbreekt grotendeels in Zuid-Europa, wijdverspreid in de winter tot aan de Middellandse Zee.

Advertenties